Als ondernemer word je dagelijks geconfronteerd met financiële terminologie — in gesprekken met accountants, banken en investeerders. Hier zijn de belangrijkste termen in gewone taal.
- Afschrijving
- Het verspreiden van de kosten van een duurzame bedrijfsmiddel (laptop, auto, machine) over meerdere jaren in je boekhouding. Een laptop van €2.400 wordt bijvoorbeeld in 3 jaar afgeschreven → €800 kosten per jaar.
- Break-even
- Het punt waarop je totale inkomsten gelijk zijn aan je totale kosten. Boven break-even maak je winst, eronder verlies. Een van de belangrijkste getallen voor elke ondernemer.
- Cashflow
- De werkelijke geldstromen in en uit je bedrijf. Niet hetzelfde als winst: je kunt winstgevend zijn maar toch te weinig cash hebben als klanten laat betalen.
- Crowdfunding
- Geld ophalen bij een grote groep mensen, meestal via platforms als Voordekunst, Oneplanetcrowd of Geldvoorelkaar. Kan in ruil voor product (reward), aandeel (equity) of rente (lening).
- Debet / Credit
- Boekhoudtermen: debet staat voor bezittingen en uitgaven, credit voor schulden en inkomsten. Elke transactie heeft twee kanten (dubbel boekhouden).
- Eigen vermogen
- Het verschil tussen bezittingen (activa) en schulden (passiva). Je "netto waarde" als bedrijf. Positief betekent dat er meer is dan waar je schuld over hebt.
- Factoring
- Het verkopen van openstaande facturen aan een factormaatschappij tegen 80-90% van de waarde. Direct cash in plaats van wachten op betaling. Handig bij liquiditeitskrapte.
- Gearing (leverage)
- De verhouding tussen vreemd vermogen (leningen) en eigen vermogen. Hoge gearing = hoge rentelasten = hoger risico bij tegenvallers.
- IBAN
- Internationaal bankrekeningnummer (NL + 16 cijfers). Verplicht op facturen en voor SEPA-overschrijvingen binnen de EU.
- Investering versus kosten
- Kosten worden in één keer afgetrokken van winst; investeringen worden over meerdere jaren afgeschreven. Bedrijfsmiddelen > €450 horen bij investeringen.
- Liquiditeit
- De mate waarin je snel aan korte-termijn betalingen kunt voldoen. Een gezonde liquiditeitsratio is > 1,5 (vlottende activa gedeeld door kortlopende schulden).
- Marge (brutomarge / nettomarge)
- Brutomarge = (omzet − inkoopwaarde) / omzet. Nettomarge = winst na alle kosten / omzet. Hoe hoger de marge, hoe meer ruimte voor tegenslagen.
- Prognose / begroting
- Verwachte financiële situatie voor de komende periode. Beginnen meestal met een maand- of kwartaal-prognose voor het eerste jaar, en een jaarlijkse prognose daarna.
- ROI (Return on Investment)
- Rendement op investering, uitgedrukt als percentage: (winst / investering) × 100. Een investering met 25% ROI in 12 maanden is uitstekend; onder 10% nauwelijks de moeite waard.
- Werkkapitaal
- Geld dat je dagelijks nodig hebt om je bedrijf draaiende te houden: voorraad, betaalde facturen die nog niet ontvangen zijn, vaste lasten. Formule: vlottende activa minus vlottende passiva.